Glas in lood Kruis symbool an geloof


Glas in lood Anker symbool van hoop



Interrieur

Altaar kerk Gerardus - Majella Nederweert - Eind.

De kerk wordt betreden door een portaal, dat geheel rechthoekig is uitgevoerd. Houten deuren met glaspanelen geven toegang tot de kerk, die achterin onder de zangtribune wordt binnen gegaan. Het schip heeft een troggewelf, dat rust op kolommen aan de noord- en zuidzijde. Voor een deel zijn deze kolommen als pilasters in de muren opgenomen. Op de kolommen zijn wijkruisjes in marmer aangebracht. De muren zijn in wildverband opgemetseld. De lichtbeuk wordt geopend door rondboogvensters op een doorlopende afzaat. De zijbeuk wordt van het schip gescheiden door rechthoekige openingen, die gescheiden zijn door pilaren met een pilaarhoofd. Op de vloeren liggen splijttegels, die bij de ingang zijn voorzien van een kruispatroon, waarin tevens de A en de Z, alsmede de Alpha en de Omega op tegels zijn aangebracht.

Links van de ingang is de doopkapel gelegen. Deze heeft gedeeltelijk een verlaagde vloer, die is bedekt met los grind. Hierboven staat een baldakijn. De rest van de vloer is bekleed met grestegels. De noordmuur is geopend door een tweetal rondboogvensters. Aan de zuidzijde fungeren de kolommen (pilasters) als afscheiding, waarbij een rondboog is uitgemetseld. Het gewelf loopt gewoon door in de doopkapel. Tussen de hoofdingang en de doopkapel bevindt zich de voormalige doopwachtkamer, afgescheiden met een hekwerk. De Gerarduskapel (gelegen ter rechterzijde van de ingang) is op eenzelfde wijze van het schip gescheiden en op dezelfde wijze opgetrokken, met dien verstande, dat de ruimte veel groter is. Tegen de zuidwand staat een altaaropstand en een vieringaltaar op een supedaneum (verhoging). In de ruimte staan banken van beton en hout, die op knielende mensen zijn geïnspireerd en door Cor van Geleuken zijn gemaakt.

De kapel kan via een houten deur aan de noordkant worden betreden. Tussen de kolommen is een ijzeren hekwerk aangebracht. In de zijbeuken zijn de biechtstoelen geplaatst, die nu als opslagruimten fungeren. Licht treedt binnen door drie ramen, die aan de boven- en onderzijde zijn voorzien van een segmentboog. In de noordbeuk bevindt zich de toegang tot de crypte, afgesloten met een ijzeren hekwerk, dat is versierd met vissen en golven. De zijbeuken zijn beiden naar het priesterkoor geopend. Aan de oostzijde van de zuidbeuk loopt de vloer op middels een trap en is daar bekleed met grestegels. Hierachter ligt de Mariakapel, die rond is uitgevoerd. In de kapel staat een tridentijns altaar op een supedaneum (verhoging). Licht komt binnen door de boogvensters in de tamboer. De vensters zijn gevuld met glas-in-lood, waarin sterren zijn verwerkt. Hierboven is de kapel afgesloten met een recht plafond.

Zijkant kerk Gerardus - Majella Nederweert - Eind.

Het priesterkoor is van het schip afgescheiden door een triomfboog, die bestaat uit de twee kolommen aan weerszijden, met het 9-voudige troggewelf van het middenschip. Hiervóór staan de communiebanken. De afscheiding tussen kerk en priesterkoor wordt benadrukt door een bolzwenkende trap over de gehele breedte. Het koor is rechthoekig met holwelvende muren aan de noord- en zuidzijde. Via rondboogvensters in de noord- en zuidmuur wordt het priesterkoor verlicht. De open dakstoel is als cassetteplafond ingericht en is doorbroken door een tamboer met rondboogvensters. Het plafond hierin is vlak. Centraal is een vieringaltaar geplaatst. Hierachter bevind zich een holwelvend reliëf, dat tegen een betonnen trap is geplaatst. De trap is bekleed met rode vloerbedekking.

Boven aan de trap bevindt zich de polygonale koorafsluiting, dat wordt verlicht door een rondboogvenster in de zijmuren. De koorafsluiting is overkluisd met een zich naar het oosten versmallend tongewelf. De oostwand is wit geschilderd en boven de afsluiting staat DOOR HEM, MET HEM EN IN HEM. Hierboven zijn een duif met twee handen tussen kruisen geschilderd. De crypte ligt onder het priesterkoor en wordt bereikt door een betonnen spiltrap aan de noordzijde. De rechthoekige ruimte is met gebouchardeerd (met bikhamer afgekapte gladde betonlaag) beton overkluisd. De tongewelven rusten op gebouchardeerd betonnen zuilen met een kapiteel (pilaarhoofd). Op de vloer liggen splijttegels en stukken natuursteen in een geometrisch patroon. De muren zijn in wild verband en voorzien van gedeelten in siermetselwerk. Licht treedt binnen door rondboogvensters aan de oostzijde. Daar bevindt zich tevens in een koortje een vieringaltaar op een supedaneum (verhoging). Tegen de muur staat een tombe-altaar met een houten kastje bij wijze van noodtabernakel. In de noordmuur zijn twee rondbogen uitgemetseld, waarachter een biechtstoel is ingericht.

(Bron: Dr A. Jacobs en Drs. A.A. Wiekart - Kerken na 1940. Inventarisatie en waardenstelling kerkelijke bouwkunst na 1940 -Roermond - Stichting Monumentenhuis Limburg, 2003).